<
>

Mart's Madness: Bill Russell, veel meer dan een topspeler

Het verhaal begint en eindigt simpel. Het is 1972, de avond van de Olympische finale basketbal voor de mannen en team USA -overigens onthutsend zwak gecoacht - legt het af tegen de geslepen spelende mannen van de Sovjet-Unie. Het is de beroemde wedstrijd waarin FIBA-baas R. William Jones vanuit zijn stoel het veld oploopt en met drie gestrekte vingers aangeeft dat er nog drie seconden gespeeld dienen te worden, nadat de Amerikanen dachten de gouden medaille te hebben zeker gesteld. Die wedstrijd dus, die chaoswedstrijd.

Bij het zoeken naar mijn zitplaats op de perstribune geeft een Duitser met een Olympische kazuifel aan, me een nummer op, in denk iets van 132. Ik vind mijn plaats, kijk om me heen en wacht het begin van de wedstrijd af. Collega Bert Spaak zit schuin achter me; tussen ons in blijft een plaats onbezet. Dat wil zeggen tot vlak voor de wedstrijd, als een boomlange meneer ineens naast me gaat zitten, me aankijkt en we elkaar toeknikken. Ik ga zelfs zover mijn hand uit te steken en mijn naam te noemen. Mijn knuist verdwijnt in ’s mans grote klauw en hij noemt zijn naam: "Bill Russell, nice meeting you".

Juist, die Bill Russell, de ex-speler van de Celtics, ex-coach ook en volgens mijn kennis van toen een van de allerbeste spelers ooit in het mondiale basketbal. We kijken naar het speelveld en wisselen antwoorden op vragen uit als ‘waar we vandaan komen’, ‘wat we van de ploegen vinden’ en er ontspint zich een heel boeiend gesprek.

Ik probeer hem uit te leggen hoe de Sovjetploeg is opgebouwd. Dat er spelers uit Georgië, Ukraine, Litouwen, Kazachstan, Wit-Rusland en Rusland samenspelen, dat CSKA Moskou hét basketbalbolwerk van de Sovjet-Unie is en dat deze selectie zo ongeveer de sterkste is die ooit bijeen is gehaald. Mijn buurman knikt en luistert en vraagt: "Are they all communists?". Ik knik, maar weet het antwoord niet echt zeker. Twijfel dus.

In de rust van de wedstrijd gaat Russell zijn benen strekken en vraagt hij me of ik weet waar the mens rooms zijn. Ik wijs achter me: in de catacomben, neem ik aan. Als later de problemen op het veld groot worden, als de scheidsrechters (Renato Righetto uit Brazilië en Artenik Arabadjian uit Bulgarije) er niet meer uitkomen en FIBA-baas Jones - naar later zou duidelijk worden - totaal willekeurige beslissingen neemt, zonder iemand daarover te raden, wordt Russell naast me boos en zegt iets van “This is not a communist garden-party, this is a basketbal-game, a serious sport known allover the world”.

Hij doet dat nadat ik hem verteld heb dat de Bulgaarse scheidsrechter zeer goed Russisch verstaat en spreekt. Het lijkt me toe dat Russell in dat feit iets oneerlijks ziet, een misschien wel vooraf opgesteld plan. Russell wijst me op een drietal Sovjet-spelers dat met Arabadijan heftig staat te converseren in de chaos op het veld waar niemand de leiding blijkt te hebben.

Ik zie Bert Spaak, gekleed in een jack van de Olympische televisie-organisatie - waarvoor hij officieel werkt -, op het veld staan en later terugkomen naar zijn plaats. “Ik heb staan vertalen", zegt hij nuchter: ”Niemand weet daar wat er moet gebeuren, niemand spreekt dezelfde taal."

Russelll vraagt dan aan ons of wij denken dat dit een politiek spel is en wij knikken. “This is disgusting", zegt hij, staat op, strekt zijn machtige 2.08 meter lange lijf, geeft ons beiden een hand en verlaat op statige manier de perstribune. Zijn lichaamstaal maakt duidelijk: ”Ik wil hier niets mee te maken hebben.”

Zoals bekend: de Sovjet Unie krijgt drie extra seconden aangemeten, scoort en wint goud. De Amerikanen weigeren hun zilveren medaille, iets dat nog steeds - in 2022 - een feit is, die plakken liggen in een kluis van een Zwitserse bank in Lausanne. De Amerikaanse spelers hebben met elkaar afgesproken nooit en te nimmer die medailles te zullen claimen of op te halen.

Fast forward in de tijd. Ik word een beetje basketbal- en ook NBA-junkie, lees veel over die competitie en reis nog weleens naar de USA om te leren, goed te kijken en te proberen een beetje insider te worden. Zo ben ik in 1990 in de Miami Arena voor het bekijken van de NBA All-Star Game. Op de vrijdag is er een grote persconferentie en zit ik trots met mijn kaart om de nek en een opschrijfboekje in de hand te wachten op de dingen die komen gaan.

Het kan niet, maar gebeurt wel: naast mij zijgt Bill Russell neer in zijn stoel. Eerst praat hij met zijn buurman links en als we dan even oogcontact hebben, is er dat moment dat hij zegt:”Munich, wasn’t it? Small world.” We kletsen en ook in 1993, in Utah bij de All-Star Game, zal ik nog een keer kort met hem praten. Driemaal is immers scheepsrecht.

Intussen heb ik zo’n beetje alles gelezen wat erover hem geschreven is en ben ik ervan overtuigd dat hij bij de meest invloedrijke sportmensen van de USA behoort; ja, hoger in rang dan waarschijnlijk alle andere NBA-spelers minus, hoogstwaarschijnlijk, Michael Jordan.

In de totale Amerikaanse sportwereld neemt hij, vooral door zijn standpuntinnames bij sociale twistpunten, een plaats bij de top drie of vijf in. Ik schat hem in de categorie van Mohammed Ali (Cassius Clay), Jackie Robinson, de sprinters Tommie Smith en John Carlos, tennisspeelster Martina Navratilova en heel misschien Colin Kaepernick; lieden die zich als sportman en vrouw presenteerden, maar ook hun mond opendeden en tegen de grote en soms grove misstanden in de Amerikaanse samenleving in opstand kwamen.

Russell deed zulks op zijn manier: hij trad niet vaak scherp naar buiten, maar als het moest was hij er. Hij marcheerde met Martin Luther King…ja, hij, als center van de Celtics, maar zeker ook als zwarte man die een hele hoop aan onjuistheden in het sociale leven van zijn land, de United States of America, zag en daar op vaak subtiele en evenwichtige manier kond van deed.

Russell luisterde naar Malcolm X, maar vond hem te radicaal en te veel blanken-hater en de center van Celtics zocht het dus in een niet zo’n violente houding en koos zijn woorden met zorg, waarmee hij toch zijn doel bereikte: namelijk de wereld te laten weten dat er in de USA een grote mate van onvrijheid bestond voor de zwarte mens en dat zulks ook het geval was in de sport.

Russell kon smakelijk vertellen van momenten dat hij als vedette van de Celtics botweg geweigerd werd in restaurants door mensen die wellicht een avond later een kaartje kochten om hem en zijn Celtics te zien spelen. Ja, ook hij had achter in de bus moeten stappen, ook hij was gediscrimineerd door kinderen, ouderen, boeren, burgers en buitenlui en al die mensen klapten later als hij een schot van zijn grote tegenstrever Wilt Chamberlain blockte.

Of zoals hij ooit uitlegde: ”Wij zwarte topsporters worden toegejuicht en een dag later zijn we een minderwaardig mens dat in een restaurant niet in de omgeving van blanken mag zitten eten.” Deze belangrijke stelling heeft Bill Russell altijd en eeuwig met zich gedragen, zonder dat hij ook maar een keer de verbale ontsporingen van andere zwarte Amerikanen overnam en altijd binnen de grenzen van het betamelijke bleef. Zijn betamelijkheid dus.

Zoals hij ook stelde:”Of je nou blank, rood, geel of zwart bent, dat doet er niet toe als je samen in een ploeg speelt, daar telt de kleur van je shirt, in Amerika zullen we moeten leren dat te begrijpen en ja, dat dienen blanken zich te realiseren, maar zwarten en Chinezen en Indianen ook, wij zijn allen mensen en dat is het belangrijkste dat ons bindt.”

En ook: ”Ik speelde in Boston met steengoede witte spelers, denk niet dat er binnen onze groep iets van een brede raciale onderstroming was, iets van elkaar niet mogen omdat de ander een andere huidskleur had. John Havlicek was een ‘hustler’ en schutter, Bob Cousy was een van God gegeven spelmaker en passer, beiden waren wit en ik kon aardig rebounden en blockte nog weleens een bal en ik was zwart. Onze coach was wit en de beste verdediger was weer zwart, samen wonnen we al die titels voor Boston. Samen omdat wij, door veel met elkaar te praten en begrip voor elkaar te krijgen, een grote voorsprong op andere teams hadden. Mijn rol daarin? Praten en goed nadenken en verstandige dingen doen. Wie de beste was? ''John Havlicek, the best all around player I ever saw.''

Bill Russell was een uitstekende hoogspringer op college (2.13 meter) en won in 1956, in Melbourne, met Team USA de gouden Olympische basketbalmedaille.

Bill Russell had ook merkwaardige trekjes in zijn voorkomen: hij weigerde, soms zelfs bot en tegen het onvriendelijke aan, handtekeningen op shirts, ballen en kaartjes te zetten. Hij hield niet van het systeem dat getekende shirts en andere zaken een belangrijk economisch onderdeel van de sportwereld werden. Als iemand hem een handtekening vroeg antwoordde hij vaak met “No, but I’ll shake your hand and talk to you.” Op enig moment vroeg ploeggenoot Tom Heinsohn een handtekening voor zijn neefje. Russell weigerde, waarna Heinsohn een ultralange periode van vrieskoude tussen beiden uitvaardigde. Russell liet in het veld niets van de kille situatie merken; op het laatst Heinsohn ook niet meer. Samen winnen was belangrijker dan elkaar niet wensen toe te spreken.

Bill Russel speelde vrijwel altijd op lage All Stars. Heel soms, bij enkelkneuzingen, liep hij weleens met hoge schoenen rond, maar dat was zelden.

Bill Russell was geen van God gegeven schutter. Hij hield zich liever bezig met rebounden en schoten blocken, want hij was een voorstander van het gezegde dat je makkelijker “verdedigend wedstrijden kon beslissen dan wat anders”.

Bill Russell was eigenaar van een hoog tonige lach die uit duizenden te herkennen was. Als hij een receptie bezocht kon je op het geluid afgaan om hem te vinden.”

Bill Russell was viermaal getrouwd, zijn laatste eega was een blanke vrouw die goed voor hem zorgde toen hij, vanaf zijn 80e, steeds slechter ter been werd en hulp nodig had.

Bill Russell woonde op Mercer Island, een leefgemeenschap in de buurt van Seattle waar “mensen die het gemaakt hadden, op welk vlak dan ook” woonden. Rocker Steve Miller, voormalig Utah Jazz-coach Quin Snyder, Boeing-baas Frank Shrontz, Microsoft-man Paul Allen, Mary Wayte, dubbel-gouden Olympische zwemster, San Francisco pitcher Matthew Boyd, voormalig NBA-speler Rashard Lewis en Ford CEO Alan Mulally waren zijn mede-eilandbewoners.

Waren, ja. Waren…verleden tijd. Het simpele einde.

Bill Russell overleed op 31 juli 2022. Hij werd 88 jaar oud. Zijn laatste ereprijs had wel iets met basketbal te doen, maar toch meer met zijn rol in de Amerikaanse samenleving gedurende de afgelopen vijftig jaar. Barack Obama overhandigde Bill Russell in 2011 de versierselen die horen bij de Presidential Medal of Freedom. In het Witte Huis stonden twee trotse mannen tegenover elkaar.

O ja, nog deze: de Harlem Globetrotters wilde Bill Russell maar al te graag in hun circus halen. Globetrotters-eigenaar Abe Saperstein zei in het openbaar dat hij niet persoonlijk met Russel ging praten over een contract omdat hij 'te intelligent' voor de basketballer was. Russell liet weten niet voor de Globetrotters te willen spelen omdat hij vond te slim te zijn voor die ploeg en eigenaar.

Bill Russell geloofde in zijn eigen (tegeltjes)wijsheid: ”A man has to draw a line inside himself that he won’t allow any man to cross.”